gebruikte kantoormeubelen

Zeker voor beginnende ondernemers, maar natuurlijk ook voor ondernemers die niet te veel geld willen besteden aan de inrichting van hun kantoor, is het aanschaffen van bijvoorbeeld gebruikte kantoormeubelen een geldbesparende oplossing. In elke kantoor zijn immers kasten nodig voor het opbergen van de nodige administratie en andere spullen. De meeste kantoormeubelen, en dus ook de kasten, kunnen aardig wat geld opslokken uit het bedrijfsbudget.Een bedrijf, en een particulier natuurlijk ook, kan op allerlei manieren op zoek gaan naar gebruikte kasten om het kantoor mee in te richten. Men kan op de zogenaamde tweede handssites gaan zoeken die massaal op het internet te vinden zijn maar ook gespecialiseerde bedrijven benaderen die gebruikte kasten voor gebruik in een kantoor opkopen en weer verder verhandelen.Het zal wellicht enige tijd duren voordat men heeft gevonden wat bij het bedrijf, de persoonlijke smaak en de inrichting van het kantoor past. Met een beetje geluk echter vindt men niet alleen gebruikte kasten maar ook nog andere goed bruikbare kantoormeubelen die een stuk voordeliger kunnen worden aangeschaft dan nieuwe exemplaren.

De prijzen van gebruikte kasten en ander kantoormeubilair ligt namelijk beduidend lager in vergelijking tot de nieuwe exemplaren. Er kunnen soms wel kleine beschadigingen op de gebruikte kasten zitten maar met een beetje creativiteit kan men deze wellicht zo wegwerken dat ze er weer als nieuw uit zullen zien. Door een paar kleine aanpassingen kan een gebruikte kast weer helemaal functioneel worden en er nog leuk uit gaan zien ook. Men kan hierbij denken aan bijvoorbeeld een nieuw laagje verf, nieuwe handgrepen, andere legplanken of misschien kan men van meerdere exemplaren één deugdelijke kast kan maken. Door wat meer tijd en moeite te steken in het zoeken en eventueel het opknappen van de gebruikte kasten kan men niet alleen een heleboel geld besparen maar ook een kantoorinrichting creëren die volledig voldoet aan de persoonlijke smaak en wensen van de gebruikers ervan.De reden waarom een bedrijf haar gebruikte kasten en andere kantoormeubelen de deur uit wil doen kan van bedrijf tot bedrijf verschillend zijn. Een bedrijf kan bijvoorbeeld failliet zijn of een gedeelte sluiten of afstoten waardoor er meubels worden weggedaan. Natuurlijk is het eveneens mogelijk dat een bedrijf gewoon een nieuwe look wil creëren en daardoor de oude kasten weg wil doen. In plaats van de gebruikte kasten op de vuilstort te deponeren bieden sommige bedrijven deze aan zodat anderen er eventueel nog plezier van kunnen hebben.

Het geld dat de bedrijven ervoor ontvangen is dan mooi meegenomen. Op het moment dat men de gebruikte kasten naar de vuilstort zou brengen dan is de kans groot dat er zelfs nog geld voor zou moeten worden betaald ook.Dus niet alleen de bedrijven die van de gebruikte kasten af willen zijn er, op een zekere manier, bij gebaat maar natuurlijk zal de nieuwe gebruiker het meeste voordeel ervan hebben. Door de gebruikte kasten een tweede leven te geven wordt bovendien het milieu minder belast wat voor veel bedrijven ook een reden is om, in plaats van nieuwe, gebruikte kasten in hun kantoor te gaan plaatsen.

Gepost op 20 November, 2009 door JoyceGielink met Comments Off

geboortekaartjes

Gefeliciteerd! Binnen enkele maanden of weken zijn u en uw partner de trotse ouders van een nieuw wereldwonder. En wat is nou mooier om iedereen op de hoogte te brengen van de geboorte van uw kersverse zoon of dochter? Natuurlijk gaat u ook geboortekaartjes versturen. Maar naar wie wilt u een geboortekaartje sturen? Dit artikel is een zeer goede leidraad voor u als u zich afvraagt aan wie u allemaal een geboortekaartje wilt gaan sturen. Alhoewel een aantal van uw familieleden al op de hoogte zijn van de geboorte van uw nieuwe zoon of dochter, is het zeker leuk om naar elk familielid een geboortekaartje te versturen. Natuurlijk gaat u niet naar een aantal familieleden die in hetzelfde huis wonen meerdere kaartjes sturen. U stuurt simpelweg een geboortekaartje naar elk adres. Ten eerste zult u een geboortekaartje sturen naar uw beiden ouders, broers en zussen. Indien de opa’s en oma’s nog leven kunt u ook deze een geboortekaartje versturen. Naar wie u verder allemaal een kaartje stuurt, is afhankelijk van de band die u met de rest van de familieleden heeft. Wanneer u niet met iemand kunt opschieten en al geen jaren contact met deze persoon of personen heeft gehad, waarom zou u dan immers nog een kaartje naar deze persoon sturen? Ook moet u voor uzelf nagaan wie tot de familie behoort. Als u echter uw hele familie een kaartje wilt sturen, moet u zich afvragen of u die (voor u) onbekende broer van uw opa of oma wel een kaartje wilt gaan sturen. Doorgaans stuurt u alleen een geboortekaartje naar familieleden die u nog wel eens ziet op verjaardagen.

Natuurlijk stuurt u naar uw beste vrienden een geboortekaartje. U kunt ook een geboortekaartje sturen naar uw kennissen. Maar waar ligt de grens bij kennissen? Is het iemand die u ooit vroeger gekend heeft en nu nog maar eens per jaar in de stad tegen komt en hallo tegen zegt? Het kan natuurlijk uw keuze zijn om deze persoon toch een kaartje te sturen, maar hierbij moet u wel bij uzelf nagaan of het wel zinvol is als deze persoon een geboortekaartje zal ontvangen. Als u werkzaam bent bij een bedrijf, kunt u ervoor kiezen om enkel uw baas een geboortekaartje te sturen. Uw baas zorgt er dan doorgaans voor dat het geboortekaartje op de afdeling terecht komt waar u werkzaam bent. U kunt er ook voor kiezen om uw baas en uw afdeling (en eventueel ook andere afdelingen) binnen het bedrijf een geboortekaartje te sturen. Heeft u goed contact met één of meerdere collega’s, kunt u deze collega’s ook persoonlijk een geboortekaartje sturen naar het huisadres van deze collega. Als u werkzaam bent in een klein bedrijf (met een paar mensen personeel) kunt u natuurlijk aan elke collega een geboortekaartje sturen. Maar zeker wanneer het een bedrijf is met vele tientallen al dan niet vele honderden werknemers, is het zonde van uw geld om aan iedere collega een geboortekaartje te versturen. In dit geval is het ook weer de keus aan u en aan die van uw partner om te bekijken naar welke collega u een geboortekaartje gaat versturen.

Gepost op 11 November, 2009 door JoyceGielink met Comments Off

bv oprichten

Vele mensen kiezen er vandaag de dag voor om hun eigen bedrijf op te richten en zo als zakenman of –vrouw door het leven te gaan. Het oprichten van een bv is dan misschien wel in één woord uitgesproken, de te volgen procedure neemt heel wat meer tijd in beslag en vereist dan ook een grondige analyse en minutieus alle stappen doornemen om verrassingen naderhand te vermijden. Handig in deze beslissingfase is om even stil te staan bij de voor- en nadelen die het bv oprichten met zich meebrengen. Allereerst is het met het oprichten van een bv veel makkelijker om potentiële investeerders aan te trekken. Niet enkel de naam bv wijst op het professionele aspect van een bedrijf of onderneming maar ook het feit dat de potentiële investeerder een deel van de aandelen kan toegewezen krijgen, spreekt vele investeerders aan. Het geeft uw bedrijf gewoon naam en zorgt voor een zakelijke uitstraling naar de buitenwereld toe. Bovendien zijn bij een bv de aandeelhouders niet aansprakelijk voor het mogelijke falen van een onderneming, daarom ook beperkte aansprakelijkheid. Bestuurs- of directieleden kunnen dit wel zijn en staan vaak los van het aandeelhoudende gedeelte. Met een bv heeft u ook het voordeel dat alles op naam van de B.V kan gebeuren. Handig als u van plan bent een postbus aan te vragen, te factureren. Ook het verkopen van de gehele of een gedeelte van een bv speelt in het voordeel van deze ondernemingsvorm.

Een bv verkopen is namelijk redelijk eenvoudig en gebeurt door de aan- of verkoop van de aandelen. Meer is het niet. Het allerlaatste voordeel dat zich dan eerder toespitst op het moeten kiezen tussen een N.V. en een bv is het financiële startkapitaal dat u bij het oprichten van zulke vennootschappen in de hand moet hebben. Terwijl bij een N.V toch een minimum startkapitaal van 45000 euro vereist is, beperkt dit bedrag zich bij een bv tot minimum 18000 euro. Een groot verschil dus, wat voor vele potentiële oprichters van een vennootschap dan ook de doorslag geeft. Ieder voordeel heeft zo wel zijn nadeel natuurlijk. Dus ook voor een bv is het nuttig om ook eens door de mogelijke nadelen te gaan. Voor vele ondernemers is geld al meteen het eerste struikelblok. Voor het oprichten van een bv hebt u minstens 18000 euro nodig om in te zetten als startkapitaal. Buiten dit startkapitaal lopen ook vaak de kosten van het paperassenwerk en de andere administratieve en non-adminstratieve formaliteiten vaak hoog op. Doe daar nog de kosten van de notaris bij en u hebt natuurlijk al een mooi kostenplaatje. Een bv bezitten, vraagt ook heel wat werk door het jaar heen. De bv wordt aanzien als een extra rechtspersoon, wat inhoudt dat er een ganse boekhouding moet verzorgd worden, dat een eigen belastingsaangifte moet ingevuld worden, … Een laatste nadeel als u over een eigen bv beschikt, is dat geld van de bv enkel geld van uzelf kan worden als u het in dividend aan uzelf uitkeert.Zoals u dus zelf kan zien en afleiden moet het oprichten van een bv het gevolg zijn van een doordachte beslissing. Weeg voor- en nadelen even af en werp u dan in het bv – avontuur. Laat de nadelen u zeker ook niet afschrikken…in vele gevallen is en blijft de keuze voor een bv de ideale keuze en zijn er naast de talrijke misgelopen bv’s ook vele succesverhalen die het gevolg zijn van de oprichting van een bv

Gepost op 9 November, 2009 door JoyceGielink met Comments Off

trouwringen

Hoewel het jaar 1900 door tijdgenoten als een magisch jaar en het begin van een nieuwe tijd werd gezien, bleven de sociale structuren in Europa tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vrijwel onveranderd. In de belangrijkste cultuurcentra Parijs, Londen en Rome vormde een rijke elite de clientèle van de grote juweliershuizen. Toonaangevend in deze kringen waren nog altijd de trouwringen van hoge adel en de leden van de toen nog talrijke Koninklijke families, naast een handvol flamboyante actrices en courtisanes. Onder dit glanzende oppervlak broeiden echter allerlei politieke en maatschappelijke opvattingen, die pas in het volgende decennium tot oorlog, revolutie en maatschappelijke veranderingen zouden leiden. Het jaar 1900 werd in cultureel opzicht gemarkeerd door de Wereldtentoonstelling in Parijs. Met dit omvangrijke evenement werd de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw luister bijgezet. Gedurende de gehele negentiende eeuw genoot Parijs al een onbetwiste positie als het toonaangevende cultuurcentrum van Europa.

Tijdschriften begonnen als medium een rol te spelen in de ontwikkelingen in de beeldende en toegepaste kunsten. Eén van deze tijdschriften heette dan ook Art Nouveau, de naam die aan de toegepaste kunsten van de periode rond 1900 werd gegeven. Parijs was eveneens het belangrijkste platform voor toonaangevende juweliershuizen; er werden jaarlijks minstens vier Salons gehouden, waar juweliers het gevecht aangingen om de aandacht van het publiek en vooral van de kopers. Het vakmanschap van de grote huizen was fenomenaal; een heel arsenaal aan hoogwaardige en verfijnde technieken werd ingezet bij het realiseren van nieuwe opvattingen en vormen. In de waardering voor de traditionele goudsmid technieken kan een invloed worden onderkend van de theorieën van Engelse denkers als John Ruskin en William Morris, die zich gekeerd hadden tegen de zielloze wijze van produceren in de industrie van de tweede helft van de negentiende eeuw. In 1900 leidde dit tot een absoluut hoogtepunt in de internationale sieraadkunst dat volgens de meeste historici alleen geëvenaard werd door de goudsmidkunst van de Renaissance. De geïndustrialiseerde landen hadden voor de Wereldtentoonstelling van 1900 op het Champs de Mars rijk gedecoreerde paviljoens opgetrokken om daar het beste van hun kunnen te presenteren. Elektriciteit was een van de hoofdthema’s en het paviljoen voor wetenschap en technologie straalde dan ook elke nacht. Naast het schijnsel van alle elektrische verlichting schitterde de tentoonstelling ook van de juwelen, met name in het Franse paviljoen aan de linker oever van de Seine. Onder de noemer ‘Joaillerie et Bijouterie’ waren maar liefst 190 Franse juweliers vertegenwoordigd, met alle topnamen, zoals Boucheron, Chaumet, De Feure, Gaillard, Fouquet (met ontwerpen van Mucha), Froment Meurice, Mellerio, Vever, Sandoz, Piel Freres en een ereplaats voor René Lalique.

Gepost op 5 November, 2009 door JoyceGielink met Comments Off

verlichting

De ‘lantaarnvulders’ (of lampbezorgers genoemd) en lantaarnaanstekers stonden onder scherp toezicht van het stadsbestuur. De lantaarnvulders waren behalve voor het vullen van de lampen ook verantwoordelijk voor het schoonmaken en onderhoud van de lantaarns. Daarnaast hadden zij een controlerende taak: zij moesten erop letten dat in hun wijk de lantaarnaansteker niet te vroeg begon en zij moesten hem helpen als hij te laat was. De lantaarnaanstekers moesten de lampen ontsteken en doven (’uitblussen’) bij het slaan van het uur dat in het dagregister was aangegeven. Zij liepen hun wijk nogmaals om te controleren of alle lampen bleven branden. Als het niet-branden het gevolg was van een mankement aan de olie of de pit (de lantaarn vuller was dus in gebreke gebleven), dan moest dit direct aan de ‘Opzichter’ worden gemeld. Voor de controle op de allereerste openbare verlichting werden ook speciale ambtenaren aangesteld: de ‘Ronden van de Stads Lantarens’, ook wel ‘nachtronden»’ genoemd. Zij moesten in de nanacht hun wijk doorlopen om alle lichten te inspecteren. Het verlichtingssysteem was de verantwoordelijkheid van de ‘Generale Opzichter’, een functie die Jan van der Heyden zelf bekleedde. In zijn instructies stond ook een tabel met branduren waarmee het dagregister moest worden opgemaakt. Van de aangegeven tijden moesten alle uren van heldere maneschijn worden afgetrokken, wanneer de lampen later of helemaal niet waren ontstoken en of ze eerder waren gedoofd. Vóór eind 1669 was de hele stad voorzien van een aantal Jan van der Heyden lantaarns; in 1682 waren dat er 2.380.

In 1693 voerde het stadsbestuur een ‘lantaarnbelasting’ in, die opgebracht werd door een belasting op huizen. De bewoners van de armenhuizen en hofjes hoefden niette betalen. Behalve elders in Nederland (Gouda 1674, Den Haag 1678, Groningen 1681, Utrecht 1682, Hoorn 1682) maakte de verlichting van Van der Heyden ook internationaal furore. Aan het eind van de 17e eeuw werd de lantaarn ingevoerd in Berlijn, Keulen, Werder en in Leipzig. Zelfs naar het verre Oosten vond het zijn weg. Op het Japanse eiland Deshima, een belangrijke en unieke handelsenclave voor de Hollanders, werd dit type eveneens gebruikt. In 1767 telde de stad 2.815 lantaarns met elk een eigen nummer. De stad kon in één kwartier geheel worden verlicht. Het personeel bestond in die dagen uit ‘een opziener, een onder opziener, een oliemeter, zeventien vullers of bezorgers der lampen, welken vijf noodhelpers zijn toegevoegd, honderd vieren dertig aanstekers en blussers die zeventien noodhelpers hebben en zes nacht ronders’. Inmiddels lieten de rijke bewoners van Amsterdam aan hun grachtenhuizen sierlijke lantaarns aanbrengen om de stad beter te verlichten. Aansteken en blussen gebeurde door de van stadswege aangestelde aanstekers. Verder nam men proeven met nieuwe lantaarns, voorzien van twee of drie pitten en terugkaatsende spiegels, die veel meer licht verspreidden dan de oude. De meeste lantaarns hingen tegen het einde van deze eeuw aan tussen de huizen gespannen touwen. Dit vooreen gelijkmatigere lichtspreiding en ook om de kans op diefstal te verkleinen. Amsterdam sloeg, vanaf de eerste openbare verlichting in 1669 en gedurende de gehele 18e eeuw, in vergelijking met andere steden, geen slecht figuur. In 1811 werden weer zo’n 400 palen in de stad bijgeplaatst. Kort daarvoor was de stad gestopt om de openbare verlichting in eigen beheer te houden.

Gepost op 2 November, 2009 door JoyceGielink met Comments Off

uitzendbureau

De geïnterviewde uitzendkrachten en gedetacheerden blijken meestal graag bereid om aan de rekruteringsstrategie van de inlenende bedrijven mee te werken. Driekwart van de gedetacheerden en tweederde deel van de uitzendkrachten zouden het liefste in het desbetreffende inlenende bedrijf willen blijven werken. Meestal heeft men daarbij een voorkeur voor een vast dienstverband in plaats van het werken voor een uitzendbureau. Slechts een beperkt deel - minder dan 1 op de 5 - van de geïnterviewde uitzendkrachten/gedetacheerden verkiest de positie van flexwerker boven die van een vaste aanstelling. Bij de in het kader van dit onderzoek geïnterviewde flexwerkers is echter sprake van een oververtegenwoordiging van personen die al langere tijd uitgezonden of gedetacheerd zijn naar de desbetreffende inlenende bedrijven. In de populatie ligt het percentage flexwerkers dat bewust voor deze positie kiest, onder andere omdat men bij voorkeur perioden van werken afwisselt met perioden van niet-werken of omdat men liever niet te lang bij een en hetzelfde bedrijf ‘blijft hangen’, daarom waarschijnlijk hoger. Onderzoek onder uitzendkrachten van de uitzendbranche zelf wijst uit dat circa de helft van hen een vaste baan zoekt. Het deel dat hierin slaagt neemt geleidelijk toe en bedraagt momenteel circa een derde deel. Iets meer dan de helft hiervan vindt vast werk bij het inlenend bedrijf.

De casestudies die voor dit onderzoek zijn uitgevoerd in een aantal inlenende bedrijven illustreren het toegenomen belang van de wervings- en selectiefunctie van flexibele arbeid. In dit verband blijken in sommige situaties meer duurzame vormen van samenwerking tussen inlenende en uitlenende bedrijven te ontstaan, waarbij de uitleenkrachten langere tijd aan dezelfde inleners verbonden blijven en de uitleenbedrijven ook een deel van de opleidings- en begeleidingsactiviteiten van de inleners gaan overnemen. Bij de huidige krapte op de arbeidsmarkt lijkt dergelijke duurzame samenwerking in het voordeel van beide partijen te zijn. Voordelen voorde inlenende bedrijven zijn besparing op personeelskosten, vergroting van de wervingsmarkt en beperking van de risico’s bij de selectie van nieuwe vaste werknemers. Voordelen voor de uitlenende bedrijven zijn verruiming van de mogelijkheden voor investeringen in eigen flexwerkers, een langere en beter verzekerde terugverdientijd voor deze investeringen en een grotere markt voor de nagestreefde verbreding van het dienstenpakket.

Gepost op 30 October, 2009 door JoyceGielink met Comments Off